zaterdag 7 september 2019

51

 




Vanuit de Pantanal eerst weer door de grote stad Cuiaba om naar Chapada de Guimaraes te komen. We hadden gehoord dat dit gebied met watervallen gesloten was wegens bosbranden, maar onze weg naar het oosten leidt er toch langs, dus kunnen we dat zelf bekijken. Het gebied ligt 600 meter hoger dan de Pantanal en het scheelt daarom net een paar graden onaangename hitte. Het verschil tussen 35 en 38 graden is goed voelbaar. Als we de parking van de belangrijkste waterval op rijden, is die gewoon open. We zijn de laatsten en kunnen vol genieten van dit mooie plaatje. Ook hier stond ik 24 jaar geleden al en kan me dat goed herinneren, omdat ik het toen ook al een verrassend contrast vond met de relatief dichtbij gelegen Pantanal. De andere watervallen in de buurt mag je alleen met gids bezoeken en dat hoeft voor mij niet. Het is ook te warm voor wandelen in berggebied.

We rijden door naar het plaatsje met dezelfde naam en gaan op een camping vlakbij het centrum staan. De prijs is weer wat normaler na wat ze in de Pantanal vragen. Hoewel geen zwembad, is het aangenaam genoeg om nog een dag te blijven. Het dorpje heeft iets prettigs toeristisch. Terrasje buiten, kraampjes op de plaza.
Dan gaan we richting oosten met als doel Brasilia. De weg gaat door een open landschap met gigantische katoenvelden. Het meeste katoen is net geoogst en ligt in grote ronde balen, zoals bij ons het stro, maar dan veel groter. Duizenden liggen er. Had ik nog nooit eerder gezien. Langs de kant van de weg liggen overal witte pluizen, die door de oogstmachines geglipt zijn.

Als we iets lezen over zwemwater is het altijd de moeite om even te kijken wat het is. Bij Barra do Garças is een waterpark dat tot negen uur open is en waar op de parking gekampeerd kan worden. Klinkt als de perfecte plek om een lange rijdag af te sluiten. Hoewel we niet echt vroeg vertrokken zijn, heb ik toch 460 kilometer gedaan vandaag, mede mogelijk gemaakt door de perfecte weg.
Elize is tevreden met een douche, maar ik ga genieten van de thermale baden die er mooi bijliggen in een park met tropische planten. Het water is warm en daar waar het uit kunstmatige watervallen komt, is het heet. Ik gun mezelf een therapeutische rugmassage met het overdadig vallende water.
Helaas is het park de volgende dag gesloten, dus een ochtendduik zit er niet in. We waren eerst nog in de veronderstelling dat het met de tijd te maken had, want dit park dat net buiten het dorp ligt, valt net in een andere tijdzone, die van oost Brazlië. We zijn hier ook net in een een andere staat, Goias. 

We vervolgen de BR70 in oostelijk richting, waarbij de weg soms een goede snelweg is, maar soms ook niet meer dan een hobbelig boerenzandweggetje.
Cidade Goias of Goias Velho is een leuk oud stadje met straten van kinderkopjes, maar dan hele grote. Leuk om te zien maar vreselijk om op te rijden. Mooie eeuwenoude kerkjes en huizen in koloniale stijl. Een terras op een pleintje verleidt ons tot twee pizza’s. Voor een slaapplaats schuiven we op naar een nog rustiger pleintje. 

Een stuk verderop nog zo’n leuk oud stadje, Pirenópolis. De plaatselijke camping staat goed aangeschreven en een zwembad is altijd aanlokkelijk. We blijven er twee dagen, ook omdat we hier goed internet hebben en we gaan een vlucht boeken. Ik had al eens gekeken en zag dat je voor 75 euro een retourtje Brasilia- Rio de Janeiro hebt en daar kun je niet voor rijden. Nou is dat op zich geen argument, maar Rio ligt ver uit onze route en we moeten ook weer een stuk omrijden om weer op onze route te komen. Die goedkope tickets had ik toen moeten kopen, want nu is het 3 keer zo duur. Alleen dan leg je je zo vast, dat willen we ook niet. Dus we beschouwen het als de prijs van vrijheid en boeken toch. Er  verschenen na het boeken gelijk aanbiedingen van hotels en uit nieuwsgierigheid kijk je toch even. Een luxe 4-sterrenhotel voor 165 euro. Dat is ver boven ons budget, tot ik zie dat het voor vier nachten is. Dan ziet het er ineens heel anders uit. Dus boeken we een hotel in de wijk Copacobana, 5 minuten van het strand. Ben benieuwd. 

Als we verder richting Brasilia gaan is er direkt buiten Pirenopolis een gebied met heel veel watervallen. Als we ze willen bezoeken komen we er er achter dat ze overal entree vragen. En veel ook. We laten het voor wat het is tot we bij een camping komen die ook een aantal watervallen heeft. Als Elize de astronomische toegangsprijs weet te halveren gaan we er toch maar staan. De watervallen zijn prachtig en het riviertje heerlijk zwembaar, maar de camping zelf is heel slecht. Geen vlakke plek te vinden en het sanitair is heel vies. Stelletje lamzakken.

Dan doemt Brasilia voor ons op. De stad is in een paar jaar, rond 1960, uit het niets hier opgetrokken en alle belangrijke gebouwen zijn van architect Oskar Niemeyer. De oorspronkelijke stad heeft de vorm van een vliegtuig met alle regeringsgebouwen in de ‘cockpit’. De romp bestaat uit twee 6-baans wegen met een hele brede groenstrook, hoewel het nu een bruinstrook is. We passeren de kathedraal en parkeren voor de deur. Het is éen van de futuristische gebouwen en stelt de doornenkroon van Christus voor. Binnen is de ronde ruimte, door het glas-in-lood, een zee van licht en ruimte, hoewel hij in mijn herinnering groter was. Een kwart eeuw geleden had ik in Brasilia een tussenstop en heb toen in een paar uur met een taxi in het donker de stad bekeken.

Nu hebben we twee dagen om hier zelf rond te rijden. Brasilia wordt nogal kritisch bejegend en soms als mislukt experiment betiteld. Ik weet niet hoe het is om hier te wonen, maar als bezoeker en liefhebber van moderne architectuur is het smullen. Er hangt een sfeer van de vroegere bondfilms en daar ben ik mee opgegroeid. Je ziet hier zo Blofeld een perzische kat aaiend, zijn snode plannen bedenken, om de wereld over te nemen. 

In iOverlander vinden we een entry van Coen en Karin-Marijke (LandCruising Adventure) uit 2009 over een slaapplaats aan het water in een buitenwijk. Het blijkt een villawijk. Een gedeelte van de huizen is in Niemeyer-stijl, andere in pseudo-koloniale stijl, of gewoon spuuglelijk. Maar allemaal zijn ze gigantisch en waarschijnlijk onbetaalbaar. Aan het einde van de hoofdweg moeten we even wachten voor er een parkeerplekje vrij is. De weg eindigt bij een toegangshek naar een park met er achter een groot meer. De parkeerplaats loopt langzaam leeg en we blijven als enige over. Lekker met de stoeltjes een een gin-tonic turen we over het water naar de stad aan de overkant. Wereldplek. ’s Avonds komt er iemand het hek afsluiten en horen we alleen af en toe nog een brommertje met een security-man een rondje draaien.
 
Aan het meer is het heerlijk toeven zo op de zaterdag. Even een dagje schrijven en lezen. Eind van de middag maken we nog een rondje dor de stad om Niemeyers architectuur bij zonsondergang te zien.
De tweede nacht op dezelfde plek is heel anders. Zaterdags is het feest aan de overkant van het meer en er is de hele nacht keiharde herrie, wat tegenwoordig voor muziek moet doorgaan. En ook al komt het van een kilometer van ons vandaan, over het water gedragen dreunt het zelfs door de oordoppen heen. Slechte nacht. 

Al vroeg gaan we op en rijden naar het vliegveld. De cruiser gaat voor vijf dagen op de parking en wij checken in voor de vlucht naar Rio. Helaas zijn de weersvoorspellingen niet geweldig. Vier dagen regen, maar ik weet ook dat ze er net zo vaak er naast zitten als dat het uitkomt. Krap anderhalf uur later landen we en boeken we een Uber-taxi. Hier is goed te zien dat Uber de taxiwereld gaat overnemen. Op het vliegveld is een hier al een aparte aanrijhaven gemaakt voor de taxi’s zonder taxilampje. En ik moet zeggen, ze bevallen mij ook erg goed. Vooral dat je van tevoren weet hoeveel je kwijt bent.
Het hotel is wat je van en viersterren-hotel mag verwachten. We zijn vroeg maar kunnen al een kamer krijgen. Aanvankelijk nemen we die, maar deze had helemaal geen uitzicht en vlak bij het raam draaide een pomp. We kiezen er toch voor om een paar uur te wachten op een betere. Het dakterras met zwembad is daar heel geschikt voor. De kamer op de twaalfde is een stuk beter. Zelfs met uitzicht op de Corcovado met het jezusbeeld. De weersvoorspellingen zijn niet goed en het is nu bewolkt. Toch gaan we eind van de middag naar het strand om een caipirinha te drinken. Het is een typisch braziliaanse cocktail van sterke drank suiker en limoenen. Daar zitten we dan, aan de copacabana. 

We pakken de volgende dag een metro naar een toeristische attractie, een tegeltjestrap. Die is aardig om te zien, maar zoals verwacht, erg toeristisch. Leuker is om gewoon door de stad te banjeren en zo af en toe iets interessants tegen te komen. Zo lopen we tegen de kathedraal van Rio aan. De lelijkste die ik ooit zag. Het is een soort pyramide van beton die al aan het aftakelen is. Al het beton is beschimmeld.

Binnen is het iets beter door de enorme vertikale gebrandschilderde ramen. Uiteindelijk komen we in de buurt van het museum van de toekomst. Een gebouw van architect Calatrava. Ik ben liefhebber van zijn futuristische werk en wordt niet teleurgesteld. Weer een waanzinnige creatie met twee enorm ver overhangende daken. Zoals de meeste van zijn gebouwen is ook deze net een buitenaards ruimteschip. Of een geraamte met gebleekte ribben, want al zijn gebouwen zijn spierwit en hebben organische vormen. Het is vandaag de hele dag droog gebleven en hier breekt zelfs de zon door. 
 
Er is nog zeker één ding dat we zeker willen doen en dat is naar het Christusbeeld, hoog op de Corcovadoberg. Het laatste stuk is met een tandradtram die door het oerwoud van de berg gaat. Dan staat hij daar met de armen gespreid. Een beeld dat iedereen kent en indrukwekkend is als je aan z’n voeten staat. 

En het uitzicht is magnifiek. Over de baai kijk je naar de Suikerberg aan de overkant. En weer is het vandaag droog en sterker nog de zon schijnt. Wel is het heiïg, maar we klagen niet. Dit is waarom Rio voor mij de mooiste stad van de wereld is. En de mensen, ook hier heel vriendelijk. De Brazilianen zijn mijn favoriete mensen in Zuid-Amerika. 

Terug beneden weer een heel stuk gelopen door de stadsdelen Flamengo en Botafogo, beide bekend van gelijknamige voetbalclubs. Grappig is dat je het portugese woord ‘futebol’ uitspreekt als voetjebol.
Een taxi brengt ons naar het verste punt van dat andere beroemde strand van Rio; Ipanema. Het is nog steeds droog, maar positiever kan ik er niet over zijn. Het is een grijze dag en het strand is leeg en dus ook nergens mooie billen.
Onze laatste echte dag gaan we allebei wat anders doen. Elize gaat met een tour een favela, een sloppenwijk in en ik ga nog een keer naar het museum, want dat was maandag gesloten. Binnen is een tentoonstelling over de aarde en hoe wij er mee omgaan. Mooi gemaakt, maar ik ben meer geïnteresseerd hoe het gebouw er van binnen uit ziet. Eigenlijk heeft alleen de entree de allure van de buitenkant. 

We eten nog een keer lekker aan “onze eigen” Copacabana en dan is dit uitstapje al weer bijna voorbij, want de volgende ochtend moeten we naar het vliegveld. Terug naar Brasilia. Het is goed zo, want vandaag regent het voor het eerst wel echt.

zondag 25 augustus 2019

50

 




We zijn laat vertrokken, maar halen net voor het donker een slaapplaats buiten Aquidauana. Het stelt niet veel voor, maar is relatief rustig en prima om te slapen dus. We rijden toch weer weg met het eerste licht. De weg die we rijden is een 200 kilometer gravelweg, die 400 kilometer asfalt afsnijdt. Het is vergelijkbaar met de Estrada Parque, die we eerder reden. Ook hier nog niet overweldigend veel wildlife, maar als we een koffie doen, zie ik in de verte een reuzenmiereneter. Hij komt op ons af en ik ga er met camera heen. Zelf zien ze volgens mij slecht, want ik kan er heel dicht bij komen. Wat een fantastisch dier, echt uniek met zijn lange snuit en enorme borstelvormige staart. Ik hoor hem snuiven, op zoek naar mieren en termieten.

 
We checken een slaapplek, waar Vincent en Annelies ook hebben gestaan, maar vinden het niet geschikt. Prima als je laat aankomt, maar wij hebben de middag nog. Hier staan we dan midden in de bush met helemaal niks. Een klein stukje verder doen we een vondst. 

 
Watervallen waar je in kunt zwemmen en we mogen er nog kamperen ook, weliswaar betaald. Dit slaat zelfs het riviertje in Canaa. De watervallen hebben diverse nivo’s en je kunt er op allerlei manieren van het water genieten. Van pootjebaden tot zwemmen in de stroming, van whirlpool tot stortdouche. We vinden het zo lekker dat we zelfs nog een dag extra blijven. 

 
Dan een echte rij-dag. Kilometers maken op een goede snelweg en eindigen bij een truckstop. De eigenaar is alleraardigst en geeft ons een goed plekje apart van de vele trucks. Evengoed nog tot diep in de nacht een teringherrie van het zware verkeer.
De volgende dag weer een flink stuk, waarbij we ook dwars door Cuiaba en Varzea Grande moesten. Geen pretje om door deze drukke dubbelstad te moeten, maar dan gaan we toch eindelijk echt richting de noordelijke Pantanal.
Na het dorp Poconé begint de Transpantaneira, de weg die ooit door zou moeten lopen naar Corumba, aan de andere kant. Maar na zo’n 200 kilometer zijn ze in Porto Jofre gestopt. De weg loopt ieder jaar onder water en is dan onbruikbaar. Dat stuk gaan we rijden, om dan in Porto Jofre een tour te doen om een jaguar te spotten.


Halverwege vinden een een mooie plek onder een grote roze bloeiende boom met een groot nest. Het stikt er van de luidruchtige parkieten en we zien er Hyancinth-ara’s, ibissen, papagaaien, een arend en nog andere vogels. We staan vlak aan de weg en de volgende dag is er wat verkeer. Af en toe stopt er een safari-jeep met toeristen, die geïnteresseerd naar de boom kijken. We hebben pas later door dat er nu een jabiru op het nest zit. Dit is de grootste ooievaarsoort en heeft een opvallende opgezwollen rode nekzak en pikzwarte kop. 

 
De rest van de weg naar Porto Jofre vooral veel vogels en kaaimannen gezien. We moeten nu regelmatig over houten bruggen, die niet altijd in de beste staat zijn. Het piept en kraakt als we er langzaam overheen rijden, op zoek naar wild. 

 
We gaan even pauzeren bij een lodge die bekend staat om goede boottochten, maar er is geen kip en ik wil sowieso eerst in Porto Joffre kijken, wat ik daar eventueel kan regelen. Daar treffen we een italiaans gezin die net een toer geboekt heeft. Ze hebben redelijk wat betaald voor de tour. De volgende ochtend sta ik vroeg op en bedenk ik dat ze voor dat geld waarschijnlijk de hele boot hebben afgehuurd en kan ik misschien wel met ze mee. Als ik het dan hen vraag, stel ik voor een kwart te betalen en ze gaan akkoord. Nu hebben we allemaal een goede deal. Elize blijft in Porto Jofre, ze vindt een hele dag in een boot te warm. 
 
Mooie kleine boot met snelle motor. We geven onszelf nog en half uurtje om wat te eten en alles klaar te maken. Als ik over het zandpad naar de auto loop zie ik eerst een familie capibara’s de weg over sjokken. Dan gaan ze ineens rennen. Er zit een kat achter ze aan, maar als die mij ziet, wil hij er vandoor. De enige weg naar het voor hem veilige bos is vlak voor mij langs. Er schiet dus ineens een ocelot op 3 meter voor mij langs. Deze halfgrote kat heeft een schitterende tekening en lijkt wat op een jonge jaguar. Zou dit een goed voorteken zijn? Ik heb natuurlijk geen beeld van deze flitsende gebeurtenis, maar deze ontmoeting zit wel in de pocket.

 
We gaan aan boord en de 90 pk outboard gaat even vol gas. Met 70 km/u schieten we over het water. De italianen genieten net als ik en zijn samen met hun dochtertje heel enthousiast. Hij doet me zelfs denken aan de hoofdrolspeler uit de film La Vita e Bella. 

Al snel krijgt de bootsman een melding over zijn walkie-talkie en we gaan weer vol gas. Vijf minuten later komen we aan bij een plek waar al een paar boten liggen. Hier moet iets heel interessants zijn. En ja, daar ligt hij, hangend op een dikke boomtak, een jaguar. Wow. Wat een joekel, groter dan een luipaard en mooier getekend. Yes, eindelijk na vele keren reizen in Zuid-Amerika, voor het eerst in 1994, ben ik vlakbij een jaguar. Het ziet er naar uit dat hij niet veel meer gaat doen dan wat alle katten het liefst doen; slapen. Na een half uurtje mocht de boot voor mij wel weer verder, vooral omdat het inmiddels een drukte van belang is geworden. Ik denk dat er wel 15 boten lagen. 

 
Maar hoe kan je je vergissen. Ineens gaan de ogen wijd open en schiet hij omhoog op de poten. Hij is gefixeerd op iets in het water. Nog een stap dichterbij en dan…..een enorme sprong recht het water in. Wat er dan gebeurt kan ik niet goed zien, maar duidelijk te horen is het breken van een bot. Waarschijnlijk de schedel van een kaaiman. Als hij hem de kant op sleurt is duidelijk te zien dat dat klopt. Een exemplaar groter dan hemzelf heeft helemaal niets meer in te brengen. De beet heeft hem direct gedood. Wat een geweldenaar is deze kat.

 
Als hij uit zicht is gaan alle boten ook weer varen en verspreiden zich. Twee keer zien we nog andere jaguars, die het rustig aan doen. Ook zien we twee keer een groep reuzenotters. 

 
Ze jagen gezamenlijk, als wolven van de rivier. Ze zijn zeer succesvol in het jagen op vis. Prachtig om te zien hoe ze een vis in hun knuisten houden als ze ze eten. 

 
We komen pas tegen vier uur terug, echt een lange dag dus en met een zeer voldaan gevoel maar met een lege maag kom ik bij Elize.
Een tweede nacht wild-camp in Porto Joffre en dan terug naar Poconé. We stoppen bij een pousada met camping en die is wel weer heel aantrekkelijk, want met zwembad. Er komt nog een truck met duitse overlanders. Leuk een beetje aanspraak en we blijven nog een tweede nacht. Dan laten we de Pantanal voorgoed achter ons. Het was een genoegen.

vrijdag 16 augustus 2019

49






In het hotel waar we kampeerden kon ik mooi online formulieren voor onze aanstaande grensovergang invullen en laten printen. Het was nog een heel gedoe met de braziliaanse overheidswebsite. Ik moest al onze elektronica invullen, camera's, laptops, telefoons met alle serienummers ed. Totaal zinloze bureaucratie en als de website dan ook nog vastloopt, mag alles nog een keer. Hopelijk scheelt het gestress bij de grens zelf.


Ik dacht dat er over de laatste paar honderd kilometer naar de grens niets te melden zou zijn. Dat het landschap onverminderd saai zou zijn met bush aan beide zijden van de weg. Maar dat bleek heel anders. De vage klifrand die we vanaf het hotel zagen, zou steeds dichter bij de weg komen en ook steeds hoger worden. We reden uiteindelijk door een tafelberg- en canyonlandschap inclusief rode rotskleur. Ongeveer halverwege zien we dat er een plek moet zijn aan een warme rivier. Twee uur later glijden we inderdaad in een rivier met de temperatuur van een bad. Mooi glashelder water en licht zand op de bodem. Visjes knabbelen aan dode huidcellen. Een wellness-ervaring midden in de natuur.

Vanaf hier naar de grens was het wel saai bushland, dus tijdens de 200 km over een bijna rechte weg was het moeilijk om goed wakker te blijven. Als we de grensplaats Puerto Suarez binnenrijden willen we nog tanken, maar dan moet er eerst gepind worden. Dan blijkt het tankstation vandaag gesloten en probeer ik het bij een andere in de buurt. Nee, daar werd niet gesjoemeld met de prijs, alleen volle gringoprijs, bijna 9 Bol. Dan gaan we 10 km terug rijden, waar we ook een tankstation gepasseerd zijn. En daar staat nu een rij auto’s te wachten want de diesel is op. Over een half uur zou de tankwagen komen en hoewel je dat soort uitspraken hier meestal met een schep zout moet nemen, sluiten we toch aan in de rij. Toch blijkt het te kloppen, na een half uur een tankwagen. Zo gauw hij wat diesel heeft gevuld gaat de pomp weer lopen. Pas dan vraag ik wat ik moet betalen. De pompbediende vraagt gelijk 5 Bol en ik ga akkoord. Met de volle tanks die we innemen scheelt het behoorlijk met Brazilie.

 
Dan op naar de grens die volgens berichten niet de makkelijkste is. Paspoort uitstempelen, 5 minuten. TIP cancelen, onnodig gecompliceerd. Moest van alles kopieën maken en weer terug. Heb wel het gevoel dat de canceling goed doorgevoerd wordt. Dan door naar de Braziliaanse kant. Hier kom je eerst aan bij de Receita Federal, zoals de douane hier heet. Een medewerker vraagt naar paspoort en kenteken en gaat achter een computer aan de slag. Heeft niet gevraagd naar de printjes van de online aanvraag die ik in het hotel had gedaan. Wel staart hij eindeloos naar zijn beeldscherm en verdwijnt dan. Daar zitten we dan in een ruimte met 4 andere beambten, waarvan er maar één af en toe iets nuttigs doet. De rest bekijkt zijn nagels nog eens, sjokt heen en weer met een kopje thee of zit op de telefoon. 

Het duurt wel een uur voor een medewerker ons te woord staat. Hij kan Engels, gelukkig, want hij begint te melden dat er een probleem is. Ah, daar zitten we op te wachten zo aan het einde van de dag. Hij vraagt of ik ooit bij Chui ben binnengekomen. Dat klopt, in 2017 nam ik deze grensovergang vanuit Uruguay. Ze hebben geen melding dat ik het land met auto heb verlaten. Ik kan me nu vaag herinneren, dat toen ik het land weer verliet, het computersysteem van de douane down was. Ik heb toen aangedrongen dat de douanier toen mijn TIP in ieder geval zou afstempelen en ondertekenen met datum. Hij had beloofd dat hij het alsnog in zou voeren, als het systeem weer zou werken. Het formulier heb ik meegenomen, voor het geval dat. Het geval dat….is nu. Ik loop naar de auto en vind het bewaarde dokument. Als ik het hem laat zien, is hij gelijk overtuigd en komt vrij snel daarna met onze nieuwe TIP. Nog even paspoort stempelen aan de overkant en we zijn binnen. In mijn hoofd speelt een bekend sambadeuntje. Brazil, lalalala lalala.

 
Een biertje en de ondergaande zon vanaf een heuvel aan de rivier de Paraguay. Een heerlijk einde van deze dag op onze eerste plek, een camping in Corumba. Een lichtelijk vervallen hotelcomplex, waar ook overlanders kunnen staan. De sfeer is goed en er vliegen hier veel toekans rond. Wat een geweldig mooie vogel is dat toch. Even wennen aan de Braziliaanse prijzen, na het spotgoedkope Bolivia. 

 
Op deze camping hebben we afgesproken met Vincent en Annelies, die ik al een paar keer eerder heb gezien. Zij komen de volgende dag met de koeienschuit uit Porto Joffre. Tegen de avond komen ze de camping op rollen en kunnen we met z’n vieren aan de kip-ketjap die ik heb gemaakt. Leuk dat het weer gelukt is om elkaar te ontmoeten. Het moet maar net kloppen dat elkaars wegen op het juiste moment kruisen. We besluiten later samen een stuk van de zuidelijke Pantanal te gaan rijden. Eerst nog even genieten van deze plek met zwembad. Ook gaan we nog een keer goed inkopen doen in een supermarkt, waarvan we er in Bolivia niet één gezien hebben. 


We gaan de Estrada Parque rijden, een binnendoorweg waarmee we een stuk snelweg omzeilen. Eerst is de omgeving nog bergachtig, iets wat ik helemaal niet associeer met de Pantanal. We zitten hier echt aan de rand, maar de bergen laten we al gauw achter ons en zitten we op een weg die wel lijkt op de Transpantaneira in het noorden. De weg heeft heel veel houten bruggetjes, die de beste kans op het zien van wildlife bieden. Een paar capibara’s en kaaimannen maar nog niet overweldigend. Wel heerlijk om hier weer te zijn, na 24 jaar. Er zijn niet veel plekken om te kamperen want bijna overal is er hekwerk langs de weg. Als we bij een kerkje aankomen met een flink grasveld er voor, grijpen we onze kans. Toevallig gaat er net een kerkdienst van start en de vrouwen wonen die bij. Vincent en ik trekken een biertje open. 

 
Halverwege de weg is een pontje en die gaat wel, maar we komen er achter dat een paar kilometer verderop de weg is geblokkeerd omdat ze een nieuwe brug aan het bouwen zijn. Pontje nemen heeft dus geen zin. We zullen dus weer terug moeten en toch het stuk snelweg doen. Eerst maar even een lunch aan de rivier. We besluiten de weg aan de andere kant weer in te slaan en zo het resterende stuk alsnog te doen. We vinden een mooi stuk grasveld om kamp te maken en Vincent trekt zijn nieuwe barbecue tevoorschijn.


We hebben enige twijfel of we naar het noorden van de Pantanal gaan, nu we zelf de koeienschuit naar Porto Joffre niet gaan nemen. Die beslissing hadden we al genomen, omdat ze er eenvoudig te veel geld voor willen hebben. Bovendien waren Vincent en Annelies er ook niet laaiend enthousiast over. Het alternatief, 1400 kilometer omrijden is ook niet heel aantrekkelijk, want de weg er heen schijnt best saai te zijn. Maar als we kans willen maken om een jaguar te zien, een langgekoesterde wens van mij, zullen we een toertje moeten boeken aan het einde van de Transpantaneira in Porto Joffre. 

We gaan eerst nog twee nachten met z’n vieren kamperen op een plek die onze vrienden al kennen en daadwerkelijk heel mooi is. Na boodschappen in Miranda rijden we een gebied in dat veel bergachtiger is. Vooral de laatste 20 kilometer gravelpad is mooi rijden. De prachtig aangelegde camping ligt aan een glasheldere beek en er vliegen een paar hyacinth-ara’s rond. Dit zijn de grootste ara’s en hebben een koningsblauw verenpak en felgele wang en oogranden. De twee tamme trekken ook wilde aan en dan zijn er vijf. 

 
Ook lopen er nandu’s rond en een curacao. Deze zwarte kipachtige vogel heeft een mooie krulkuif en is zeer tam. Gaat het liefst bij je liggen en piept bij elke ademhaling als een bad-eendje.
Er is ook nog een andere Nederlander en ik herken hem als een Facebook-vriend. Aardige gozer (Rotterdammer) en wat leuk om elkaar dan in den verre te ontmoeten.

De rivier is fris maar superlekker om in te zwemmen. Om je heen zwemmen forellen van 40 cm. Bij de ingang stond: Welkom in een stukje paradijs. Dat klopt wel aardig.

 
Na twee dagen vertrekken we alle vier. Vincent en Annelies moeten terug naar Montevideo, ze gaan hun auto verschepen naar Kaapstad om dan naar Tanzania te rijden. Ze gaan daar twee jaar werken in een ziekenhuisje in de bush. Wij gaan toch maar beginnen aan het grote omrijden naar de noordkant van de Pantanal.

maandag 5 augustus 2019

48





  

Na de 100 kilometer glibberpartij rijden we gelijk naar een leuk restaurantje aan de oever van de Beni. We voelen ons lucky dat we hier kunnen eten in plaats van op een crackertje bijten ergens gestrand onderweg. De volgende dag ga ik dan eindelijk de tour boeken bij Madidi Travel. Vier dagen in de Serere Lodge midden in de jungle. Elize blijft op de camping en gaat studeren.
De boot vertrekt rond half 10 en gaat er bijna 3 uur over doen. Ik ben met nog 8 andere toeristen. Het onwaarschijnlijke doet zich voor dat het onderweg koud is. Dit hele gebied heeft te maken met El Sur, een koudefront dat helemaal uit Patagonië hier heen is gekomen. In plaats van een tropisch temperatuurtje zal het zo rond de 14 graden zijn, maar met de vaarwind over het water heb ik alles dicht en nog krijg ik het niet warm. Thuis in Nederland puffen ze nu met 40 graden. Rare wereld waarin we leven. 

De boot komt aan bij een steile afkalvende oever. Iedereen krijgt hulp om de 3 meter op de zanderige klei omhoog te komen. Dan is het nog een half uur lopen naar de lodge. Eerst komen de cabins waar men slaapt en 5 minuten verder staat de casa grande. Alle bouwsels bestaan uit een balken frame, gaas en een dak. Geen buitenwanden dus. Het ziet er prima uit, goede bedden hele cleane badkamer. 

Na even relaxen is er een wandeling van een paar uur met een gids. We zien uiteindelijk brulapen en slingerapen. Die laatste had ik nog niet in het wild gezien. Als ik ze wil fotograferen leun ik even tegen een schuine boom en voel dan een steek in mijn bil. Ik zie een bullet ant weglopen. Ai, die heten zo omdat een steek van ze voelt als een kogel die je raakt. Ze zijn tweeëneenhalve centimeter lang. De steek gaat gelukkig niet erger pijn doen. Waarschijnlijk was het slechts een schampschot. Na een paar uur is het weg. 

Er is ook nog een nachtwandeling maar die levert niets op, helaas.
Ik deel mijn cabin met drie anderen maar heb een rustige nacht. Het is nog steeds heel koel dus ben blij dat er extra dekens klaarliggen. Voor vertrek heb ik eindelijk eens een lokale simkaart gekocht en kan nu zonder wifi internetten met de telefoon. Je zou zeggen dat je daar diep in de jungle niks aan hebt, maar vreemd genoeg is er bij de lodge aan het meer 1 vierkante meter waar wel bereik is. Eén balkje dat net genoeg is om te whats-appen.

De volgende dagen ieder dagdeel weer wat gelopen of gevaren in kano, samen met het kleine groepje waar ik in zit. Engels stel, belgisch stel en een Noor. Ik moet eerlijk bekennen dat het me wat tegenvalt, wat er te zien is. De verwachtingen waren misschien wat te hoog. In een gebied zijn met de meeste soorten dieren wil nog niet zeggen dat je die ook gaat zien. Maar mijn jungletochten in Peru en Suriname waren toch veel beter. Dat ik hier een tapir en een reuzenmiereneter heb gezien telt niet helemaal. Die zijn gewend aan mensen en hangen rond in de buurt van de lodge. 


Wel fascinerende dieren, de tapir het grootste dier van Zuid-Amerika en de miereneter misschien wel de vreemdste verschijning. 
Gelukkig is het eten erg goed en de sfeer in de lodge ook prima. Verder kan ik wel enorm genieten van het lopen in een oerwoud. De enorme bomen met plankwortels zie je alleen in zo'n jungle.

De vierde dag ga ik weer terug naar Rurrenabaque, terug naar Elize. Heerlijk om een duik in het zwembad van de camping te nemen. 
Zijn we tot nu toe vooral in noordelijke richting gereden, vanaf hier gaan we oost. De eerste 100 kilometer gaat terug over de goede weg die we ook zijn gekomen, maar na de afslag is alles weer anders. Na 100 meter wordt gelijk duidelijk dat deze weg een stuk minder is. Heel afwisselend weer, stukjes goed asfalt, gravel met diepe kuilen, stukken goed gravel, asfalt met enorme gaten. En het wisselt elkaar soms om de paar honderd meter af, soms ook kilometers lang één van de variaties. Al met al vermoeiend rijden, want de hele tijd alert zijn. We komen aan in San Ignacio de Moxos, waar een aangename plek aan een meer is. In de verte horen we harde muziek uit het dorp en als we even lezen, blijkt dat we hier precies op de eerste van twee dagen festival zijn beland.
We hebben na de lange dag rijden geen puf om ons in het feestgedruis te storten, maar de volgende dag gaan we wel kijken. Oude mannen met grote verentooien dansen voor de kerk en binnen wordt een mis gehouden. Het is een oude Jezuietenkerk, de eerste die we tegenkomen. In het oosten zijn er meer. 

Een paar dagen lang staat het dorp op zijn kop. Dag en nacht muziek, rituelen, optochten en in een arena gaan dronken jongen mannen op de horens van een opgefokte stier. Sommige worden per ambulance afgevoerd. Het leger paradeert langs het plein, allen in smetteloos wit en de vrouwen op witte pumps maar ook met bajonet op hun geweer. 

Dan zie ik een man met een bekend gezicht die klaar staat om in een stoet mee te lopen. Is dat…ja dat is…de president van het land. Evo Morales. Als er dan allemaal cameramensen om hem heen komen staan, weet ik het zeker. Dat is de man die ik vaak op billboards langs de weg zag staan. Ik weet niet heel veel van hem, behalve dat hij controversieel is. Een man van het volk, cocaboer, maar naar eigen zeggen coca om te kauwen en niet voor productie van cocaïne. Hij wil analfabetisme elimineren en zorgt voor algemene gezondheidszorg. Maar ook wil hij hele stukken oerwoud laten kappen om er weides voor vee van te maken. Ook de Salar de Uyuni is bedreigd nu er enorme hoeveelheden lithium zijn gevonden onder het zout. Lithium dat enorm gewild is voor accu’s in smartphones en electrische auto’s. Hoe dan ook, ik ben op twee meter afstand van een staatshoofd, maak je niet elke dag mee.

De hele dag zie je vooral oude mannen met enorme verentooien ritueel dansen in de straat. Prachtig gezicht, maar ik moet onwillekeurig ook even denken aan al die mooie papagaaien die hiervoor het leven lieten.

De tweede nacht is rustiger en na een ochtendzwem in het pislauwe meer, gaan we weer op weg. Eerst Trinidad, waar we moeten regelen dat we wat langer in Bolivia mogen blijven. We halen het net niet met de gegeven 30 dagen en halen er nog 30 bij in het kantoor van de Imigracion. Al rijdend zien we wat van de stad maar zijn niet geneigd om langer te blijven. We laten de auto wassen die dan weer 20 kilo lichter is en zoeken de iO-plek op aan een riviertje. Niets bijzonders maar adequaat.

Dan een lange rijdag. 400 kilometer over wederom gemiddeld zeer matige weg. Daar ben je dan inclusief pauzes de hele dag mee bezig. Onderweg zien we een bizarre verschijning. Een luiaard die de weg oversteekt. Uiteraard in zijn trage tempo, maar het gekste is wel hoe hij zich voortbeweegt. Hij kan niet staan op zijn poten en al helemaal niet lopen. Hij schuift als een soort droogzwemmer vooruit op zijn buik. Samen met zijn vriendelijke en onschuldige gezicht is het een aandoenlijke vertoning. We blijven bij hem om te voorkomen dat nog platter op de weg eindigt door een auto.

In San Ramon vinden we een mooie plek op een bergje bij het dorp. Daardoor is het relatief rustig, relatief. Boven op het bergje staat een gebouw waarvan ik eerst dacht dat het het huis was van een miljonair. Vier verdiepingen hoog op palen een groot huis wat later slechts een uitkijktoren blijkt te zijn. Totaal over de top want het uitzicht is saai te noemen. Ik ga dan ook niet betalen om naar boven te gaan. 

Van San Ramon doen we even een stap van onze route en rijden noordelijk naar San Javier. Dit is het begin van weer een Jezuïtenroute zoals je die ook in Paraguay en Argentinië hebt. Er zijn zeven kerken in opvolgende dorpjes, maar we gaan er maar twee bezoeken, want de rest ligt aan een 400 km hobbelweg en daar hebben we even genoeg van.
De kerk van San Javier is bijzonder mooi met prachtig gedraaide palen van hout. De jezuïeten bekeerden ook hier de indianen en bouwden een samenleving met ze op die in die tijd heel succesvol waren. Ze lagen wel voortduren onder dreiging van slavenhandelaren en de katholieke kerk. Een zwitser heeft zich eind vorige eeuw ingezet op al deze kerken volledig te restaureren en dat is prachtig gelukt.

Na nog een nacht in San Ramon gaan we weer en dag rijden. Eerst nog wat wegwerkzaamheden maar dan komen we op een in goede staat verkerende F4 richting het oosten. Glad asfalt, wat kun je daar van genieten. En het schiet zo lekker op, want erg inspirerend is de omgeving niet. Halverwege zijn we wel weer eens toe aan een camping en vinden een hotel met mooie tuin waar we mogen staan.  Nog één dag rijden voor we de grens over gaan naar Brazilie.